In 1948 word ik geboren in Friesland en begint mijn geloofsontwikkeling
in het ‘Rijke Roomse Leven’: elke ochtend eerst naar de Mis! Dat bevalt
me zo goed, dat ik na de lagere school naar een klein-seminarie ga om
priester te worden. Ik loop een tijdje mee met de Benedictijnen en leer
de schoonheid van de Psalmen kennen. Daarop volgt de theologieopleiding
in Nijmegen waarbij ik me specialiseer in pastorale begeleiding en
hulpverlening. Ik volg allerlei trainingen en leertherapieën, en ik kom
er achter dat het celibaat mij niet past. Dit betekent dat ik helaas
word uitgesloten van de priesterwijding. Maar gelukkig begint Kardinaal
Alfrink pastoraal werksters en werkers te benoemen, zodat er toch een
toekomst open gaat om in de kerk te kunnen werken. Ook kom ik in
aanraking met zen-meditatie: ik volg meditatietrainingen en zit zeven
lange jaren dagelijks een tijd te mediteren. In de zen kun je in jezelf
een Innerlijke Meester ontdekken. Bij mij blijkt dat Jezus te zijn. Door
de theologie en de meditatie laat ik allelei overbodigheden in mijn
geloof los, tot ik ‘steeds meer in steeds minder’ geloof. Ik kom uit bij
‘leven in het Hier en Nu voor het Aangezicht van God’. Het is een
dynamisch en stromend geloof, van waaruit ik mijn werk als pastor leer
doen. Ik ga in 1977 aan het werk als pastoraal werker in Drachten
met een inspirerende collega, de Franciscaan Willem de Rooij. Na zijn
plotselinge dood begin ik in 1981 als studentenpastor in Utrecht; ik
blijk daar 27 jaar te blijven. We hebben een oecumenisch Convent van
studentenpastores. Van mijn collegae en van de liturgievoorbereidingen
met studenten leer ik de hele Bijbel goed kennen. Ook leer ik in de
studentenkerk Anke Tigchelaar kennen. We trouwen in 1989. In 1990 wordt
Abel geboren; halverwege de zwangerschap krijgen we te horen dat hij een
aandoening heeft, waardoor hij buiten de baarmoeder niet kan leven: hij
sterft na een klein halfuur. Erger kan het leven niet zijn. Maar Liefde
is sterker dan de dood: in 1991 wordt Fija geboren en in 1994 Lodewijk.
We genieten! Intussen ben ik me aan het specialiseren in empirisch
theologisch onderzoek. Prof. Dr. Hans van der Ven begeleidt me bij het
opzetten van een vragenlijst waarmee ik onderzoek of er bij studenten
een verband is tussen interesse voor geloof en hun besef van eindigheid.
Ik krijg maar liefst 1400 ingevulde vragenlijsten terug! Ik begin een
proefschrift te schrijven, maar dit wordt onderbroken doordat mijn
bestaan als studentenpastor steeds onzekerder wordt. Uiteindelijk heft
de Bisschop het Katholieke Studentenpastoraat op. Na maanden van
onzekerheid kom ik plotseling terecht in het parochieverband Vecht &
Venen, waar ik tot mijn opperste verbazing het heel erg naar mijn zin
heb: er blijkt tijdens mijn studentenpastoraat in de parochies veel te
zijn veranderd. In die 27 jaar zijn de Parochies veranderd in legioenen
enthousiaste vrijwilligers. Ineens hoef ik geen werk meer te zoeken en
mag ik werken in het Paradijs, want minder is het niet in het Groene
Hart!